HET
WEER,
NADER VERKLAARD
de (oudere) verhalen
zijn soms niet meer helemaal up to
date,
onze excusses daarvoor,
red.
Geachte
lezers van Het Weer, Nader Verklaard,
Het volgede verhaal moet elk jaar opnieuw verteld worden!
Dit was één van de grootste rampen in de geschiedenis van
Nederland en de zee, en mag nooit worden vergeten!
Een ramp van deze omvang of nog groter kan zo weer
gebeuren! Kijk naar de stijging van de zeespiegel door de
opwarming van de aarde door de mens! Een tijdbom die tikt!
Weerservice, weerman Siep de Boer
Watersnoodramp
1953: de dag ervoor...
Zaterdag 31 januari 1953, nu 73 jaar geleden:
De stormvloedseindienst
verzendt om 11.00 uur
een
telegram aan de
groepen Rotterdam, Willemstad,
Gorinchem en Bergen
op
Zoom, met een waarschuwing
voor storm
en daarmee
gepaard gaand
gevaarlijk
hoogwater. Het leven in het Deltagebied gaat
gewoon
z'n
zaterdagse gang.
Her en der staan festiviteiten op
het
programma, zoals in
Kortgene de opening
van
het
nieuwe
gemeentehuis.
Commissaris van de
Koningin
jonkheer
A.F.C. de
Casembroot moet in zijn
dienstauto
wachten
tot
het water in de Zandkreek gezakt
is, voordat
het
veer
Wolphaartsdijk-Kortgene
hem naar Noord-
Beveland kan
overzetten. Ook elders ondervinden
veer-
diensten grote
problemen door
wind en
hoog
gerezen
water.
De passagiers
van de provinciale boot die
's avonds nog
om
20.30 uur
vanuit
Katseveer naar
Zierikzee vaart,
komen zeeziek en met
doodsangst
in de
ogen
van boord.
Aan het eind van de middag stuurt de
Stormvloedseindienst ondergebracht
bij het KNMI in
De Bilt
opnieuw
een
waarschuwingstelegram dat ook
op
de
radio in de
ANP-nieuwsuitzendingen
vanaf
18.00 uur
wordt
voorgelezen:
"Boven
het noordelijke en westelijke
deel
van de Noordzee woedt een
zware
storm
tussen
noordwest en noord.
Het stormveld breidt zich verder
over
de
noordelijke en
oostelijke Noordzee
uit.
Verwacht
mag
worden dat de storm
de hele nacht zal voortduren.
Daarom werden vanmiddag om half zes de
groepen
Rotterdam,
Willemstad
en
Bergen op Zoom gewaar-
schuwd
voor
"gevaarlijk hoogwater".
Het telegram
wordt
naar een
beperkt aantal
adressen gezonden:
de dertig
abonnees
waaronder
Rijkswaterstaat en
Provinciale
Waterstaat,
alleen Walcheren is geabonneerd.
"Geen wonder dat de
waarschuwing van de Stormvloed-
seindienst
nauwelijks
tot
actie leidt". Dat schrijft
PZC-redacteur Rinus Antonisse,
schrijver
van het boek
"Februariramp 1953"
(Uitgeverij
Uniepers) in
"de Ramp",
een
bijlage bij de
Provinciale
Zeeuwse
Courant (24 januari
2003) gewijd aan de Watersnoodramp van 1953.
In Weermagazine blikt weerkundige
Marjon de
Hond in
haar geboorteplaats
terug op de Watersnoodramp:
"Zoveel natuurgeweld,
in buitengewone
meteorologische
omstandigheden.
Als ik uit mezelf
kon
treden,
zou ik er
als
meteoroloog misschien enthousiast
over
kunnen zijn.
Maar dat kan ik
niet.
Laatst was ik in
Ouwerkerk met m'n
rug naar de zee, keek ik over het polder
landschap.
1835 doden! Het is niet voor te
stellen,
als je het
niet hebt
meegemaakt. Hier past
alleen stilte na de storm".
De hoofdingenieur waarschuwde al geruime tijd voor de
ramp
voor
onveilige
dijken. Dr. ir Johan van
Veen had zijn
plannen voor
de
Deltawerken
al vóór
1953 uitgewerkt,
omdat hij toen al besefte dat de
dijken niet veilig waren.
Dat meldt zijn kleinzoon Paul Fortuin, die als
onderzoeker
werkzaam is bij het
KNMI en goed op de hoogte is van
de
ideeën van zijn grootvader.
Van Veen had zijn plannen
voorgelegd aan
de leiding van Rijkswaterstaat.
De realisatie kon
indertijd echter geen
doorgang vinden
door geldgebrek
en
andere prioriteiten.
Als hoofdingenieur
bij Rijkswaterstaat
was het
hem niet
toegestaan
vanuit zijn
titel de pers te waarschuwen voor deze
onveiligheid,
daarom deed hij dit onder
de pseudonaam, Cassandra
(een
Griekse
ongeluks-profeet
waarna niemand luisterde)
en met name bij interviews
met
het
Elsevier tijdschrift.
Toen de dijken doorbraken wist
de
directie
van
Rijkswater-
staat
dus al van zijn plannen.
Kort daarna
werden de
delta-
plannen
goedgekeurd en
uitgevoerd. Inmiddels is
door
Willem van de Ham een boek
over hem geschreven dat
is
verschenen bij
uitgeverij Balans.
Watersnoodramp 1 februari 1953 (vervolg 1)
De
stormvloed, die ons land 73 jaar geleden in de nacht van
31 januari op
1 februari 1953
trof, was de ergste ramp van
de
20e eeuw. De overstromingen
hebben
aan 1836 mensen
en tienduizenden dieren
het leven gekost.
De meeste
slachtoffers vielen in het zuidwesten maar ook op Texel en in
Engeland
werd
een
verbeten
strijd
geleverd tegen
het water.
Een ongelukkige
samenloop van
omstandigheden zwiepte
het water op
tot
ongekende
hoogten.
Een bijzonder
zware
noordwester, met
het ergste
stormveld over de volle lengte
van de Noordzee,
bereikte
tijdens astronomisch
hoogwater
(wanneer het water
toch al het hoogst
komt)
de kust.
Wat lang niet
iedereen
weet is dat naast
Zeeland en
Zuid-
Holland
ook de Texelse dijken
niet
bestand bleken
tegen het
wassende
water. In polder
de
Eendracht brak op 1
februari
de dijk.
Zes personen, vrijwilligers
vonden
daarbij de
verdrinkingsdood.
Weerkundigen
hadden de storm de
avond
tevoren
in de peiling.
In
de loop
van
31 januari,
daags voor
de ramp, werd duidelijk dat
ons land
aan de
vooravond
stond
van
een catastrofe.
De depressie, die
recht op
ons
afkwam,
veroorzaakte
bij
Schotland een orkaan met windstoten van
180 km./uur.
's
Ochtends waarschuwde de
stormvloedwaar-
schuwingsdienst op
advies van
het
KNMI voor
flink hoog
water.
's Middags werd de
waarschuwing
opgevoerd
tot
gevaarlijk hoog water,
volgens de toenmalige procedures de
hoogste
staat
van
alarm die
mogelijk
was.
De Bilt wilde nog
verder gaan,
maar de
bewoordingen
schoten
tekort.
Bovendien ging de radio
's nachts uit de
lucht.
Pogingen van
de
meteorologen van het KNMI om de
zenders
aan
de praat
te
houden
mislukten.
Geruime tijd woedde een zware
tot
zeer zware
storm
(windkracht 10 tot 11).
In het noordwesten
werden
wind-
stoten gemeten van
144 km./uur.
In de Zeeuwse
wateren
bereikte de storm kort voor
middernacht
zijn
hoogtepunt.
Vlissingen
kreeg
toen te maken met de grootste opwaaiing,
zo'n
310 cm. boven
normaal.
Halverwege de nacht, tijdens
springtij, kwam het water tot
455
cm.
boven NAP.
De dijken
konden dat niet aan.
De
wanhopige bevolking
kreeg
zondag-
middag
nog
een tweede vloed
te
verwerken,
waardoor het
water nog
hoger kwam.
Velen die de
eerste vloedgolf hadden
overleefd
verdronken of
dreven op daken
waarnaar
ze
gevlucht waren.
De storm en de
waterberg die
daarvan
het
gevolg
was is naar de
mogelijkheden van
begin
jaren
vijftig goed
voorspeld.
Tegenwoordig zijn de
verwachtingen
dankzij de computerberekeningen
een stuk
gedetailleerder.
Uit naberekeningen met de gegevens
van '53 door de
huidige
computers blijkt dat
de komst
van zo'n
storm
vandaag
de dag zo'n
drie of vier
dagen tevoren
zichtbaar
wordt op de weerkaarten.
Op een termijn van 48 uur
tevoren
is
tot
in
de kleinste
details aan te geven hoe
hard het gaat
waaien.
De rekenmodellen geven
ook
nauwkeurig
aan hoe
hoog
het water dan komt.
Het KNMI waarschuwt
de
bevolking
en overheidsdiensten in
zo'n
situatie,
bij wind-
kracht 10 of
meer, tegenwoordig door
middel van een
waar-
schuwingssysteem
ingedeeld door middel van kleurcodes.
In dit geval zou
waarschuwingscode rood zijn
uitgegeven,
een
Weeralarm voor zeer
gevaarlijk weer dat leidt tot grote
overlast of ontwrichting van de
samenleving.
De watersnoodramp van 1953
(vervolg 2)
KNMI sloeg alarm voor wat de
grootste natuurramp
van de
20e eeuw werd,
maar dat drong niet overal
door.
Dat de
twee
Hilversumse radiozenders uit
de
lucht
waren, gaf in de
weerkamer een gevoel van
onmacht.
Onheilspellend zagen
de weerkaarten er
zaterdagavond
31
januari 1953 uit en
het
werd steeds
erger. Zo ernstig
dat de dienstdoende
meteorologen van het
KNMI
zeer
bezorgd waren
over het
naderende
gevaar en alles op
alles zetten om hun
dramatische
waarschuwingen bij
de
bedreigde mensen
te
krijgen. Om
middernacht
klonk
echter het
Wilhelmus door
de
ether. In die tijd
waren er
nog geen nachtuitzendingen en
verwoede pogingen
van
oud-weerdienstleider
dr. K.R. Postma en
collega-meteoroloog
dr. H. Bijvoet om
een van de twee
Hilversumse
radiozenders
bij wijze van
uitzondering in
de
lucht te houden
mochten niet baten.
"Die mogelijkheid
werd ons die nacht
ontnomen en dat
gaf
in de weerkamer een
ontzettend gevoel
van onmacht."
vertelde Postma
journalist Kees
Slager voor zijn
boek:
De ramp, een
reconstructie.
Eventueel figuren
aanklikken s.v.p.
Oude-Tonge op
Goeree-Overflakkee
(Bron: Wikipedia)
Storm was al een dag
tevoren voorzien
Bijvoet en Postma
hebben als
meteorologen van het
KNMI een enorme
reputatie opgebouwd.
Herman Bijvoet
(1918-2000)
heeft vooral veel
betekend
voor de introductie
van de numerieke
weersvoorspelling,
de rekenmodellen van
de atmosfeer waarop
tegenwoordig
de
verwachtingen zijn
gebaseerd.
Klaas Rienk Postma
(1913-2005)
was tientallen jaren
lang als
weerdienstleider
zeer betrokken bij
de meteorologie. De
Watersnoodramp,
waarbij 1836
landgenoten de dood
vonden en circa
200.000 hectare
grotendeels
cultuurgrond
overstroomde,
is de
zwartste bladzijde
uit zijn leven.
Meteorologisch is
het de
belangrijkste
gebeurtenis in zijn
loopbaan.
"Je kunt zeker niet
zeggen dat Nederland
door de storm is
overvallen"
We
hadden
de storm al sinds
vrijdagavond in de
gaten.
Je kunt dus
zeker niet zeggen
dat
Nederland er door
over-
vallen is.
Vrijdag ontwikkelde
zich achter een
depressie ten
zuiden van IJsland
een stormveld, dat
zaterdag pal ten
noorden van
Schotland
krankzinnige
windsnelheden
veroorzaakte. Over
de uiterste punt van
Schotland is
toen
één van de
zwaarste orkanen uit
de Schotse
geschiedenis
getrokken. Er zijn
daar die zaterdag
miljoenen bomen
gesneuveld. Nou, die
stormdepressie zakte
af
naar de
Duitse Bocht
en volgde een koers,
die voor ons
desastreus was.
De wind draaide toen
op de noordelijke
Noordzee naar het
noordnoordwesten.
Dat betekende dat
er
een stormveld van
ongeveer duizend
kilometer lengte,
precies over het water, recht
op onze kust
afliep".
Postma dacht
zaterdag rond het
middaguur niet aan
een
watersnood omdat
hij
niets wist over de
toestand van de
zeedijken, maar
verwachtte wel een
zeer zware
storm
(windkracht
11) met veel schade
en ellende door
afgewaaide daken en
afgeknapte bomen.
Een uur later
werd
hij afgelost door
Bijvoet, die tijdens
vloed in
de nacht
van
zaterdag op zondag
een enorme
'waterberg' voor het
zuidelijk deel
van de Noordzee
voorzag. Bij de
stormvloed-
waarschuwingsdienst
ging zaterdag
onder regie van het
KNMI om 11 uur een
waarschuwing uit
voor 'flink
hoogwater
voor de groepen
Rotterdam,
Willemstad, Bergen
op Zoom
en
Gorinchem.'
De baan van de
rampzalige
stormdepressie tussen
30
januari en 2 februari
1953
(Bron: KNMI-bijdrage tot
het rapport van de
Deltacommissie)
Waarschuwingscriteria
schieten tekort
Er kon volgens de
regels nog niet
gewaarschuwd
worden
voor het nachtelijke
hoogwater dat tot de
ramp
zou leiden.
Meteorologische
berichten werden
indertijd
via telex
uitgewisseld. Dat
ging vrijwel net zo
snel als
tegenwoordig maar
vandaag
de dag gaat de
verwerking
van alle
informatie met
computers natuurlijk
veel sneller.
Bovendien zijn er nu
veel meer gegevens
beschikbaar,
vooral
van waarnemingen
op zee. Een ander
probleem
was de
routine afspraak dat
een waarschuwing
voor
hoogwater geldt voor
de eerstvolgende
twee hoogwater
situaties. Pas na
het
eerste hoogwater mag
de volgende
waarschuwing uit.
Zodoende kon er toen
volgens de regels
nog niet
gewaarschuwd worden
voor het nachtelijke
hoogwater
dat tot de ramp zou
leiden. Toch kregen
de
meteorologen
zaterdagmiddag
aanwijzingen voor
een
'riskante
weerontwikkeling',
schrijft
KNMI-meteoroloog
Ton Donker in
Meteorologica (mrt.
1993), het
tijdschrift van
de
Nederlandse
Vereniging voor
Beroepsmeteorologen.
Voor het Deltagebied
werd een nog
hogere opstuwing van
het water berekend
dan 's ochtends was
voorzien.
Dijkbewaking was dan
noodzakelijk.
Om kwart voor zes
gaat een nieuw
waarschuwings-
telegram
uit en aan het slot
van
het weerbericht van
6 uur
hoorde iedere
radioluisteraar:
"Boven het
noordelijke en
westelijke deel van
de Noordzee woedt
een zware storm
tussen noordwest en
noord.
Het stormveld breidt
zich
verder uit.
Verwacht mag worden,
dat de storm de
gehele
nacht zal voortduren
en in verband
hiermede werden
vanmiddag om half
zes de
groepen Rotterdam,
Willemstad en Bergen
op Zoom gewaarschuwd
voor
gevaarlijk
hoog water".
Achteraf had
meteoroloog Postma
in de
waarschuwingstelegram
liever de term
'zeer
gevaarlijk
hoog water'
gebruikt. Volgens de
procedure,
waarbij
de berichten
via de PTT
telegraafkantoor in
Amsterdam aan alle
personen en
instanties werden
verspreid, kon
alleen gewaarschuwd
worden voor 'flink
hoog water' en
'gevaarlijk
hoog water'. Maar
omdat het
aanvaardbaar peil -
een bepaalde
ondergrens die
werd
gehanteerd -
fors dreigde te
worden overschreden
had
Postma liever de
(niet bestaande)
term 'zeer
gevaarlijk
hoog
water' gebruikt.
Storm hield lang
aan
Terwijl de kern van
de uitdiepende
stormdepressie met
een kerndruk van
minimaal 970 hPa op
zaterdagavond in
zuidoostelijke
richting over de
Noordzee
trok nam de wind
aan
de achterkant van de
depressie verder
toe: boven zee
tot een zeer zware
noordwesterstorm,
windkracht 11,
aan
de kust tot
windkracht 10.
Den Helder
registreerde in
het
begin van de nacht
een uur lang een
gemiddelde
windsnelheid van 27
meter per seconde
(97 km/uur) en
een
hoogste windstoot
van
144 km./uur. Op
verschillende
weerstations langs
onze kust, waaronder
ook
Vlissingen
werd
windkracht 10
gemeten. Ook in het
binnenland
bulderde
de storm
waarbij vrijwel
overal zeer zware
windstoten optraden
van meer dan 100
km/uur.
Het windveld dat
zich over de hele
Noordzee en ons land
ontwikkelde, hing
samen
met enorme
verschillen in
luchtdruk: in de
nacht van zaterdag
op zondag wezen de
barometers in Eelde
liefst 23 hPa lager
aan dan in
Vlissingen, een
zeldzaam groot
verschil. De storm
nam
maar langzaam in
kracht af en hield
daardoor lang aan,
vooral in het
zuidwesten van ons
land waar de
windmeters
ongeveer 20
uur achtereen
windkracht 9 of meer
aanwezen.
Toen bezweken de
dijken
Op zeker 90 plaatsen
in het zuidwesten
van ons land
begaven
de dijken het en
voltrok zich de
ramp.
In de Zeeuwse
wateren bereikte de
storm rond 22 uur
zijn
hoogtepunt, waarna
IJmuiden 's nachts
om 1 uur de
zwaarste
storm meldde en
Den Helder om 4 uur.
Daardoor lag ook het
tijdstip van
maximale opstuwing
in
het
noorden later dan in
het zuidwesten.
Water loopt
gemiddeld
tweeëneenhalf uur
achter op de wind,
zodat
Vlissingen
rond middernacht met
de grootste
opwaaiing
te maken kreeg, zo'n
3.10 meter boven
normaal op basis
van
de tevoren
berekende getijkromme. De waterstand
bereikt echter pas
zijn hoogste stand
rond astronomisch
hoogwater en dat was
die nacht om 3.24
uur.
De opwaaiing
was toen al iets
minder geworden maar
storm en springtij
leverde bij
Vlissingen
rond dat tijdstip
een hoogste
waterstand van 4.55
meter boven NAP op.
Veel dijken konden
dit niet meer aan en
op zeker
negentig plaatsen in
het
zuidwesten van ons
land
begaven de
dijken het en
voltrok zich de
ramp.
Uitgebreide
weerkaart KNMI, 31
januari 1953,
12u00
GMT
(Bron: KNMI-bijdrage
tot het
rapport van
de Deltacommissie)
Uitgebreide
weerkaart KNMI, 31
januari 1953,
18u00
GMT
(Bron: KNMI-
bijdrage tot het
rapport van de
Deltacommissie)
Uitgebreide
weerkaart KNMI, 1
februari 1953,
00u00
GMT
(Bron:KNMI-bijdrage
tot het
rapport van
de Deltacommissie)
Slachtoffers
watersnoodramp
De Watersnoodramp
kostte 1836 mensen
het leven.
De
wanhopige bevolking
kreeg zondagmiddag
nog een
tweede vloed
te verwerken,
waardoor het water
in
de
polder nog hoger
kwam dan 's nachts.
Velen mensen
die de
eerste vloedgolf
hadden overleefd
verdronken die
middag of dreven op
daken waarnaar ze
gevlucht waren.
Ook
de Engelse oostkust
kreeg zondag 1
februari te
maken
met
overstromingen en
grote schade door de
wind.
Hierbij
verloren 150
Engelsen het
leven. Daags tevoren
raasde de storm over
Schotland, ook daar
was de schade
enorm. De
Watersnoodramp
kostte in Nederland
1836
mensen en
tienduizenden
dieren het leven. De
meeste
slachtoffers
vielen in het
zuidwesten maar ook
op
Texel en in Engeland
werd een verbeten
strijd geleverd
tegen het water.
Springvloed
Door variaties in de
afstand van de maan
tot de aarde
bestaan
er lage en hoge
springvloeden. De
springvloed
van 1
februari hoort tot
de lage
springvloeden.
Veertien dagen later
zou sprake geweest
zijn van hoge
springvloed en zou
het
water nog 40 cm.
hoger zijn
gekomen.
Als dezelfde storm
dus op 15 februari
had
gewoed was de
situatie nog
ongunstiger geweest.
Ook het tijdstip van
maximale
opwaaiing had
ongunstiger
kunnen
zijn: als dat was
samengevallen met
het
moment
van de
hoogste springvloed
was het water nog
hoger
gekomen. Ook
als
de storm eerder was
gekomen,
was de ramp
waarschijnlijk nog
erger geweest:
een maand
eerder was
het
'opperwater' door de
hoge waterstand van
de Rijn
een stuk hoger.
Goed voorspeld
Een storm als die
van 1953 is vandaag
de dag vaak al
een
dag of vier tevoren
zichtbaar op de
weerkaarten.
De
storm en de
waterberg die
daarvan het gevolg
was,
is naar de
mogelijkheden van
begin jaren vijftig
goed
voorspeld.
Terugkijkend op de
ramp is nauwelijks
te
bevatten wat zich
die nacht heeft
afgespeeld.
Weerwaarschuwingen
en weerberichten
worden tegen-
woordig
continu via tal van
kanalen verspreid.
Uit naberekeningen
met de gegevens van
1953 door de
huidige
computers blijkt dat
de komst van zo'n
storm
vandaag de
dag zo'n drie of
vier dagen tevoren
zichtbaar
wordt op
de weerkaarten.
Hoe uitzonderlijk
was de storm?
De zeldzaamheid van
de stormvloed van
1953 is vooral te
wijten aan de
extreme
waterstanden. De
storm van 1953
haalde een hoogste
uurgemiddelde
van windkracht 10 en
is daarmee niet de
zwaarste storm uit
de historie.
De zeldzaamheid van
de stormvloed van
1953 is vooral te
wijten aan de
extreme
waterstanden. In de
twintigste eeuw
kent
deze stormvloed geen
gelijke en over
vorige eeuwen
zijn
geen exacte gegevens
bekend. Net als bij
stormen
zijn er uit
de pre-instrumentele
periode geen
objectieve
criteria
bekend. De ernst van
een
stormvloed werd
gerelateerd aan de
grootte van het
overstroomde gebied
en de
mate van schade.
Door gebrekkig
dijkonderhoud
tijdens politiek
bewogen tijden
en tijden van
armoede was
er
indertijd ook meer
kans op rampen dan
in rustige
welvarende tijden.
St. Elisabethvloed
Zeker weten we wel
dat er in het
verleden
verschillende
catastrofale
stormvloeden
voorkwamen, de meest
op of
rond 19
november 1421 die
bekend
staat als de
St.-
Elisabethvloed. Ook
hier ging het
volgens
klimaat-
historicus
Jan Buisman om een
bijzonder zware
noord-
westerstorm
gevolgd door een
zeer
hoge stormvloed.
Van
springvloed was toen
geen sprake maar het
natte
weer
was er, anders dan
in 1953, de oorzaak
van dat het
'opperwater'
afkomstig van
de rivieren nog zeer
hoog
stond. De
dijkdoorbraken en
overstromingen
richtten
in
Zeeland en
Holland grote
verwoestingen aan,
waarbij
zeker
tweeduizend
mensen de dood
vonden.
Een
hardnekkig
misverstand wil dat
de Biesbosch
door
deze stormvloed
is ontstaan: in
werkelijkheid vond
dit
gebied in 1421
en
na nieuwe doorbraken
in 1424 zijn
oor-
sprong en niet in
die ene nacht zoals
vaak wordt beweerd.
Allerheiligenvloed
Een andere beruchte
stormvloed uit onze
historie is de
Allerheiligenvloed
in
november 1570. De
Domeinraad in
Bergen
op Zoom heeft op 1
november 1570
"aanmerckende dat
die groote stormen
van winde
ghisteren
begonst" aan de
dijkgraven van het
Zuid- en
Noordkwartier een
waarschuwing gegeven
door
"seer
uytnemende
hooghe vloet". Een
lange periode van
storm
zwiepte het
water
tot ongekende
hoogten, nog hoger
dan
in 1953. Talloze
dijken aan de
Hollandse
kusten begaven
het,
waardoor zich enorme
overstromingen
voordeden en
een
reusachtige ravage
werd aangericht. Het
totale
aantal doden
- het buitenland
meegerekend - moet
boven
de 20.000
hebben gelegen, maar
precieze
gegevens zijn
niet
bekend.
Andere stormvloeden
De stormvloed van 13
en 14 januari 1916
leidde tot de
Zuiderzeewerken en
de oprichting van de
Stormvloed-
seindienst.
Recenter is de
watersnood van
13 en
14 januari
1916 toen op
tientallen plaatsen
rond de
Zuiderzee de
dijken
doorbraken. Deze
stormvloed leidde
tot de
Zuiderzeewerken en
de oprichting
van de
Storm-
vloedseindienst.
Nog recenter zijn
middelbare
storm-
vloeden op
3 januari 1976 (bij
Vlissingen +3.94
meter),
27 februari
1990 (+3.84 meter),
28 januari 1994
(+3.87 meter). Op 17
januari 1962
beleefde Delfzijl
een
middelbare
stormvloed met in
Noord-Duitsland
uitgebreide
overstromingen,
waarbij honderden
lachtoffers waren
te betreuren.
Met dank aan
oud-KNMI meteoroloog
K.R. Postma,
maritiem meteoroloog
C.J.W. Dekker
van het KNMI
en
historisch geograaf
J. Buisman